Iceland wordt gevormd door vuur en ijs. Vulkanen, gletsjers, zwarte stranden en eindeloze horizonten bestaan hier naast elkaar. Het weer verandert per uur. Het licht gedraagt zich anders — strekt zich uit, brandt, verdwijnt weer.
Hier is natuur geen decor.
Het is de hoofdrolspeler.
 
IJsland stond al jaren op mijn bucketlist. Mijn Google Maps telde meer dan veertig pins voordat we überhaupt vertrokken.
Het plan: negen dagen, van het westen via de zuidkust naar het oosten en weer terug. Vijf verblijven langs de route. Alles voorbereid — maar met ruimte.
 
 
 
De voorbereiding begon al in Nederland. Dit was geen slippers-en-korte-broek-trip. Waterdichte hikeschoenen. Thermokleding. Regenbroek. Goede sokken. Camera’s, drone, statief, reservebatterijen. Dagelijks back-ups maken was net zo belangrijk als fotograferen.
Met Icelandair vlogen we naar Keflavík. Drie uur later stonden we op ruwe lava. We haalden onze auto op — een gloednieuwe Suzuki Jimny 4x4. Klein, robuust, bijna speels. Maar op deze reis werd hij meer dan vervoer.
Hij werd een karakter.
We reden het parkeerterrein af en stonden direct in open natuur. Geen gebouwen. Geen industrie. Alleen asfalt door een leeg landschap. In de auto draaide constant Sigur Rós. De muziek vulde de stilte tussen de bergen en maakte de ritten bijna filmisch. Alsof landschap en klank uit dezelfde bron kwamen.
 
Dag één — De lucht die ontplofte
Onze eerste bestemming: Grundarfjörður, vlak bij Kirkjufell. De iconische berg, vaak gefotografeerd met de watervallen op de voorgrond. We maakten de klassieke compositie — en reden daarna verder het schiereiland op. Búðirkerk, het zwarte kerkje in het lege landschap.
En toen gebeurde het.
Wat begon als een gewone avondlucht veranderde in een explosie van geel, oranje en paars. De hemel brak open. We sprongen in de Jimny en reden richting de kust, de zon achterna. Geen mensen. Geen verkeer.
Een klein zijpad. Water. Stilte.
We parkeerden. De lucht stond in brand en werd verdubbeld in het spiegelgladde water. Ik stuurde de drone omhoog. Op het scherm zag ik ons silhouet, de auto, de horizon.
En dit was nog maar dag één.
We dachten: het wordt niet beter dan dit.
We zaten er volledig naast.
 
 
De paardenboer
Op weg naar Vík stopten we bij een weide vol IJslandse paarden. Een ras dat al meer dan duizend jaar geïsoleerd wordt gefokt. Klein, sterk, met een dikke wintervacht en bekend om hun unieke extra gang: de tölt — een vloeiende, comfortabele beweging.
Een man kwam op ons af. Het waren zijn paarden. Hij fokte en trainde ze. Na een gesprek nodigde hij ons uit op zijn boerderij.
Daar ontmoetten we zijn vrouw. Zij breide traditionele IJslandse truien — lopapeysa — gemaakt van wol van IJslandse schapen. Die wol is bijzonder: een combinatie van een zachte isolerende binnenlaag en een waterafstotende buitenlaag. Licht, warm, bestand tegen wind.
We kochten er twee.
En deden ze de rest van de reis niet meer uit.
 
 
 
Water, zwart zand & filmische landschappen
We bezochten Seljalandsfoss en Skógafoss — beide ongeveer zestig meter hoog. De kracht van water die eindeloos naar beneden valt.
In Vík aten we de beroemde zwarte pizza — deeg gekleurd met actieve kool, een lokale specialiteit. Daarna reden we naar Reynisfjara, het zwarte strand met basaltzuilen en rotsformaties, bekend uit onder andere Game of Thrones. Het strand staat bekend om zijn gevaarlijke “sneaker waves” — onverwachte golven die ver het strand op komen.
Bij zonsopgang wandelden we vier kilometer naar de DC-3 plane wreck — een Amerikaans marinevliegtuig dat in 1973 een noodlanding maakte op het zwarte zand. Geen slachtoffers. Alleen een wrak dat nu symbool staat voor verlatenheid.
Bij Fjaðrárgljúfur zagen we hoe klein wij waren. Vanuit de lucht werd die schaal pas echt voelbaar.
 
Gletsjers & diamanten
Bij Jökulsárlón dreven ijsbergen los in het water. Afgebroken van de gletsjer, langzaam richting zee. Wat terugspoelt op het zwarte strand heet niet voor niets Diamond Beach — helder ijs op zwart zand.
In Höfn droogden we doorweekte kleding. De volgende dag namen we een rib-boot tussen de ijsbergen. Niet te dichtbij de gletsjer — afbrekend ijs kan flinke golven veroorzaken.
Bij Vestrahorn — ook wel de Batman-berg genoemd — stonden we in zwarte duinen met geel riet.
Het voelde buitenaards.
 
 
 
De laatste rit
Van Höfn naar Reykjavík: 465 kilometer. We stopten bij Svinafellsjökull, bekend uit onder andere Interstellar.
In Reykjavík gingen we nog walvissen spotten. Geen walvis gezien. Wel dolfijnen. Een rustige zee. Een zachte zonsondergang.
De laatste avond brachten we door in Reykjanesbær, vlak bij het vliegveld. We namen afscheid van de Jimny.
Dat voelde zwaarder dan verwacht.
IJsland gaf ons alles.
Behalve het noorderlicht.
Dat verscheen telkens op de plek waar wij net waren geweest.
Ach.
Dat is een reden om terug te keren.
En één ding wist ik zeker:
Ik ben nog niet klaar met IJsland.
 
 
De afsluiting
IJsland liet zich niet sturen.
Ondanks mijn veertig pins en strak geplande route bleef het land onvoorspelbaar. Het weer bepaalde wanneer we stopten. De wind bepaalde hoe lang we bleven. Soms moesten we wachten. Soms doorrijden. Soms accepteren dat een plek anders was dan gehoopt.
Misschien was dat wel de grootste les van deze reis.
Dat je alles kunt voorbereiden —
maar dat de mooiste momenten ontstaan
wanneer je het plan even loslaat.