Bali wordt vaak beschreven als paradijs. Een eiland waar rijstvelden als groene terrassen tegen heuvels liggen, tempels boven de oceaan balanceren en elke ochtend kleine offers van bloemen en wierook op straat verschijnen. Toerisme is de belangrijkste bron van inkomsten, maar onder de resorts en strandbars leeft een ander ritme, dat van rijstcultivatie, ceremonies en gemeenschap. In de hoger gelegen gebieden groeien koffie en cacao, maar het is vooral de verwevenheid van natuur en spiritualiteit die het eiland zijn karakter geeft.
 
In oktober reisde ik samen met mijn moeder en zus drie weken over Bali. Geen soloreis dit keer, maar een gedeelde ervaring. Onze vaste gids, Eddie, was meer dan chauffeur, hij was vertaler, brug en stille observator tegelijk.
Na aankomst in Denpasar verbleven we één dag in Kuta om bij te komen van de lange vlucht. Daarna lieten we de drukte achter ons. Eddie bracht ons naar een afgelegen huis in junglebedekte heuvels ten noorden van Ubud. Daar, tussen het groen en het constante geluid van insecten, begon Bali anders te voelen.
 
 
 
We maakten wandelingen door dorpen, bezochten scholen, keken hoe mensen leefden zonder haast. Kinderen werden aangetrokken door de camera, speels, nieuwsgierig, zonder terughoudendheid. Ze poseerden, riepen hun vrienden erbij, lachten luid. Het voelde open.
Op een ochtend ging de wekker om 4:30. Hoofdlampen aan. Nacht nog om ons heen.
We begonnen aan de beklimming van Mount Batur om de zonsopgang vanaf de vulkaan te zien. Het voelde als een kleine expeditie. Warm, vochtig, maar intens. Het eerste uur ging goed. Daarna niet meer.
Ik had te veel meegenomen. Twee bodies, vier lenzen, statief, drone. Een romantisch idee van voorbereiding, fysiek minder romantisch.
Halverwege boden jonge locals met crossmotoren aan om mensen en hun uitrusting naar boven te brengen voor een paar rupiah. Dat besluit was snel genomen. Mijn moeder ging ook achterop. Geen heroïek nodig.
Boven kregen we warme chocolademelk terwijl de lucht langzaam veranderde. Eerst diepblauw. Dan paars. Daarna een dunne, vurige lijn aan de horizon. Toen de zon doorbrak, werd het zwarte lavalandschap zichtbaar in lagen van licht en schaduw. Stoom trok zacht op uit de aarde. Het was geen explosieve zonsopgang, maar een geleidelijke onthulling. Geduldig. Stil.
 
Later verbleven we bij Wapa di Ume Sidemen, verscholen tussen rijstvelden in de vallei van Sidemen, met uitzicht op Mount Agung. Op een vroege ochtend liet ik de drone opstijgen terwijl nevel boven de terrassen hing. De rijstvelden tekenden zich af als geometrische patronen in zacht ochtendlicht. Stilte. Geen massa’s.
We snorkelden. Bezochten Virgin Beach, een rustig strand aan de oostkust. Wanneer we niet in resorts aten, zochten we warungs op, kleine, vaak familiegerunde eetgelegenheden waar eenvoud en smaak samenkomen. Plastic stoelen, verse nasi goreng, saté, pittige sambal. Ongepolijst, maar echt.
 
 
Verder noordelijk verbleven we tussen de rijstvelden bij Tegallalang, onderdeel van het UNESCO-erkende subak-irrigatiesysteem, een eeuwenoude waterverdeling gebaseerd op harmonie tussen mens, natuur en spiritualiteit. We bezochten de Banjar hot springs, dwaalden over markten, en zagen bij zonsondergang een traditionele dansvoorstelling in het resort. Het gouden uur viel precies op de gezichten van de dansers. Hun ogen, hun handgebaren, geconcentreerd, intens. Die portretten behoren tot mijn favorieten van Bali.
 
 
In het noorden van het eiland, aan Lovina Beach, vierden we de zestigste verjaardag van mijn moeder. Geen groot feest, geen drukte — alleen de zee, een rustige kustlijn en het besef dat tijd kostbaar is. De zon zakte langzaam weg achter het water terwijl we samen aan tafel zaten. Dat moment was misschien minder spectaculair dan een vulkaan bij zonsopgang, maar minstens zo waardevol.
Niet alles was moeiteloos. Na een bezoek aan een waterval werd ik plots ziek — wat reizigers vaak “Bali belly” noemen, een tijdelijke maag- en darminfectie door onbekende bacteriën. Onze gids bracht me direct terug naar het resort. Zelfs in paradijs blijft het lichaam eerlijk.
Overal waar we kwamen waren mensen vriendelijk. Glimlachend. Hulpvaardig.
 
 
 
Drie weken gingen snel voorbij. Ik vertrok met volle geheugenkaarten — driedubbel geback-upt — bang om iets te verliezen; Niet vanwege spektakel, maar vanwege textuur. Licht over rijstvelden. Het geluid van scooters in de ochtend. Wierook die over natte stenen waait.
Bali drong zich niet op.
Het liet zich zien, stukje bij beetje.